Ik keek onlangs naar de documentaire De Manager van Maartje Bakers. De camera kijkt mee bij functioneringsgesprekken tussen managers en medewerkers. Gesprekken over functioneren, ontwikkeling, verwachtingen, onzekerheid en ambitie. Het zijn gesprekken waarin mensen zichtbaar hun best doen om elkaar te bereiken. En toch lukt dat opvallend vaak niet.
Het resultaat is soms pijnlijk ongemakkelijk.
Cringe.
Je ziet een manager zoeken naar de juiste woorden. Een medewerker die iets probeert te zeggen. Een stilte die nét iets te lang duurt. Een goedbedoelde vraag die nergens landt. Managementtaal die waarschijnlijk bedoeld is om het gesprek veiliger te maken, maar soms juist afstand creëert.
En terwijl je kijkt, wil je af en toe bijna wegkijken.
Dat De Manager zo herkenbaar is, vind ik misschien nog wel interessanter dan de gesprekken zelf. Blijkbaar herkennen we het ongemak.
En misschien zegt dat iets over meer dan alleen managers.
Luisteren voordat we gaan praten
Wat mij vooral opviel, is hoe weinig er soms écht geluisterd wordt.
Niet omdat mensen niet willen luisteren. Integendeel. De intentie lijkt vaak goed. Maar terwijl de ander praat, zijn we al bezig met onze volgende vraag. Met een oplossing. Met het doel van het gesprek. Met wat er op het formulier staat. Met wat we zelf willen zeggen.
Terwijl communicatie volgens mij daar begint: luisteren.
Naar de ander, maar óók naar jezelf.
Wat zegt iemand werkelijk? Wat gebeurt er bij mij terwijl ik luister? Waarom raakt die opmerking me? Waarom voel ik de neiging om mezelf te verdedigen? Waarom wil ik dit probleem zo snel oplossen?
Daar zit informatie.
Goede communicatie vraagt daarom niet alleen dat je de juiste woorden vindt. Het vraagt dat je even kunt verdragen dat je ze nog niet hebt.
We organiseren onszelf steeds onafhankelijker
Mijn zorg gaat daarom verder dan het functioneringsgesprek.
We leven in een samenleving waarin onafhankelijkheid bijna een ideaal is geworden. We moeten zelfstandig zijn, zelfredzaam, onze eigen keuzes maken en vooral niemand tot last zijn.
En we hebben ons leven daar behoorlijk handig omheen georganiseerd.
We laten boodschappen thuisbezorgen, zodat we de winkel niet in hoeven. We bestellen eten zonder iemand te hoeven spreken. We werken thuis en hoeven onze collega’s soms dagen niet fysiek te ontmoeten. Een probleem met een bedrijf lossen we liever op via een chatvenster dan via een gesprek.
Ook dingen die vroeger vanzelfsprekend onderdeel waren van een gemeenschap besteden we steeds vaker uit.
Bij de sportvereniging kunnen we onze vrijwilligerstaken afkopen. Dan betalen we wat extra en hoeven we niet achter de bar te staan, een wedstrijd te begeleiden of op zaterdagochtend samen met andere ouders iets te organiseren.
We betalen iemand om ons huis schoon te maken, onze tuin te onderhouden, de hond uit te laten, voor onze kinderen te zorgen of eten aan de deur te brengen.
Daar is op zichzelf natuurlijk niets mis mee.
Maar bij elkaar opgeteld gebeurt er wel iets interessants.
We kopen niet alleen tijd. Soms kopen we ook onze afhankelijkheid van andere mensen af.
Lekker efficiënt
Veel daarvan is ontzettend efficiënt.
Geen vergadering als een mailtje ook kan.
Geen telefoontje als een appje voldoende is.
Geen bardienst als je hem kunt afkopen.
Geen gesprek als een digitaal formulier hetzelfde resultaat oplevert.
Maar menselijke relaties zijn nu eenmaal niet bijzonder efficiënt.
Mensen twijfelen. Ze vertellen verhalen te lang. Ze begrijpen je verkeerd. Ze hebben andere verwachtingen. Ze stellen ongemakkelijke vragen. Ze zeggen soms iets waarvan je niet direct weet wat je ermee moet.
Een echt gesprek laat zich niet optimaliseren.
Misschien is dat precies waarom de gesprekken in De Manager zo ongemakkelijk voelen. We kijken naar mensen die iets proberen waarvoor geen efficiënt stappenplan bestaat: een ander mens werkelijk ontmoeten binnen een relatie waarin ook belangen, verwachtingen en macht bestaan.
Dat schuurt.
Maar dat schuren is misschien niet het probleem.
Ongemak hoort erbij
Misschien zijn we ongemak steeds meer gaan behandelen als iets wat opgelost moet worden. Of, misschien nog vaker: als iets wat we uit de weg moeten gaan.
Als een gesprek spannend dreigt te worden, stellen we het uit. We sturen liever een mail of appje dan dat we iemand aanspreken. We lopen met onze irritatie naar een collega in plaats van naar degene over wie het gaat. We slikken iets in om de goede sfeer te bewaren. Of we zeggen maar niets, omdat we bang zijn voor wat er gebeurt als we het gesprek wél aangaan.
En als een gesprek eenmaal stroef verloopt, zoeken we al snel naar een oplossing. Er moet een gesprekstechniek komen. Als een team niet goed communiceert, organiseren we een training. Als iemand emotioneel wordt, willen we het snel weer veilig en comfortabel maken.
Terwijl ongemak soms precies de plek is waar contact begint.
Want werkelijk luisteren betekent dat je niet vooraf weet wat de ander gaat zeggen.
Het betekent dat je iets kunt horen wat je liever niet hoort.
Dat je eigen beeld misschien niet klopt.
Dat je moet erkennen dat jouw gedrag iets bij een ander heeft veroorzaakt.
Of dat twee mensen naar precies dezelfde situatie kijken en werkelijk iets anders zien.
Een werkelijk gesprek vraagt daarom dat we niet onmiddellijk vluchten voor het ongemak, maar er soms wat langer in durven blijven. Niet om het ongemakkelijk te máken, maar omdat juist daar iets zichtbaar kan worden wat tot dan toe onuitgesproken bleef.
Daarom vraagt communicatie iets wat haaks staat op onafhankelijkheid:
je moet je laten beïnvloeden door een ander.
Van onafhankelijkheid naar wederkerigheid
Misschien zit daar voor mij de maatschappelijke laag.
We hebben veel geïnvesteerd in autonomie en individuele vrijheid. Dat heeft ons ook veel gebracht. Maar wanneer onafhankelijkheid het ideaal wordt, dreigen we iets anders kwijt te raken.
Het besef dat we elkaar nodig hebben.
Niet alleen wanneer we hulp nodig hebben, maar juist in het alledaagse. In een gesprek met een collega. Tijdens de bardienst bij de voetbalclub. In contact met de buurman. In een vergadering waarin iemand iets zegt waar je het fundamenteel mee oneens bent.
Gemeenschap ontstaat niet alleen doordat mensen bij dezelfde organisatie, buurt of vereniging horen.
Gemeenschap ontstaat doordat mensen iets van elkaar nodig hebben, iets voor elkaar betekenen en bereid zijn het ongemak daarvan te verdragen.
Dat is wederkerigheid.
Of misschien nog beter: kinship.
Het besef dat ik niet volledig los van jou besta. Dat wat jij doet iets met mij doet en andersom. Dat onze relatie niet alleen waarde heeft wanneer die efficiënt, prettig of probleemloos is.
Misschien moeten we het ongemak niet oplossen
Daarom bleef De Manager bij mij hangen.
Niet omdat de documentaire laat zien hoe slecht managers communiceren. Dat zou een veel te makkelijke conclusie zijn. Ik zie vooral mensen die zoeken. Die hun best doen om binnen rollen, systemen en verwachtingen toch werkelijk contact te maken.
En ja, dat ziet er soms ongemakkelijk uit.
Maar misschien moeten we daar niet omheen.
Misschien moeten we er juist wat langer blijven.
Niet nóg sneller naar een oplossing. Niet nóg een proces, format of gesprekstechniek tussen ons in zetten.
Maar luisteren.
Naar wat de ander werkelijk probeert te zeggen.
Naar wat dat bij onszelf oproept.
En vervolgens het risico nemen om iets terug te zeggen wat echt van ons is.
Want mijn zorg is niet dat we soms slecht met elkaar communiceren.
Mijn zorg is dat we communicatie steeds makkelijker uit de weg kunnen gaan.
En daarmee uiteindelijk ook elkaar.
We missen niet alleen het gesprek. We missen kinship.
Als je toch een techniek wil om beter te communiceren. Lees dan hier over VERBINDENDE COMMUNICATIE.






