“Zie je die luie man daar?” vraagt de jakhals.
“Ik heb nog nooit een luie man gezien,” antwoordt de giraf.
“Wel een man die nooit hardliep als ik hem zag,
die soms een middagdutje deed
en thuisbleef als het regende.
Maar ik zag geen luie man.
Is het misschien jouw etiket, jakhals?”
“Ken je dan die domme collega?” vraagt de jakhals weer.
“Ik heb nog nooit een domme collega gezien,” antwoordt de giraf.
“Wel een collega die soms dingen deed die ik niet begreep,
of ze anders deed dan ik had verwacht.
Ik heb een collega gezien die de plekken
niet kende waar ik was geweest.
Maar het was geen domme collega.
Is het wellicht jouw oordeel, jakhals?”
“Je vindt mij zeker wel een loser?” vraagt de jakhals tot slot.
“Ik zit er steeds naast en moet maar niks meer zeggen.”
“Hoe kom je daarbij, jakhals?” reageert de giraf.
“Ik zag een jakhals die langzaam lopen per ongeluk voor luiheid aanzag.
Ik zag een jakhals die een collega had
die anders deed dan hij zelf zou doen.
Maar ik zie geen loser, jakhals!
Ik zie een jakhals die ziet, voelt en behoeften heeft.
Ik heb zelf nog nooit een loser gezien.
Wat sommigen van ons lui noemen,
noemen anderen moe of ontspannen.
Wat sommigen van ons dom noemen,
noemen anderen een verschil van inzicht.
Daarom is mijn conclusie,” sprak de giraf,
“dat het ons veel verwarring bespaart
als we wat we zien
niet verwarren met wat we ervan vinden.
En als we wat we voelen of willen
niet verwarren met veroordelen.
En om je niet te verwarren, zeg ik je:
Dit is slechts wat ik ervan vind.”






